Buitenland

WEEKENDLECTUUR – En route pour le néant

De opwarming van de aarde brengt dieren- en plantensoorten ertoe het hogerop te zoeken, waar het koeler is. Maar die bergtoppen zijn, merken onderzoekers, soms ook een roltrap naar het einde.

Wie weleens een fikse berg heeft beklommen, zal het misschien al eens hebben verzucht: dit is de route naar de hel. Voor sommige diersoorten is de weg omhoog niets minder dan een roltrap naar het einde, het uitsterven. Een stairway to heaven, in het beste geval – wat poëtischer klinkt dan de kille werkelijkheid rechtvaardigt.

Steeds meer wetenschappelijk onderzoek wijst erop dat bergen, vooral in de tropische zones op aarde, de laatste strohalm zijn voor diersoorten die door klimaatverandering naar steeds grotere hoogten worden verbannen. In veel berggebieden over de hele wereld gaat de opwarming tweemaal zo snel als het gemiddelde elders op aarde. Dat heeft gevolgen voor onder meer de bodem: de balans tussen stikstof en fosfor verandert. Het fosfor in de bodem blijft gelijk, maar de stikstofcyclus verloopt bij opwarming veel sneller. Aangezien dat de belangrijkste voedingsstoffen voor planten zijn, verandert ook de plantengroei in de hogere bergzones.

Daardoor worden op hun beurt insecten en andere dieren letterlijk naar hogere sferen verdreven, waar de temperatuur relatief lager is en nog voedselaanbod bestaat. Totdat het daar ook niet meer uit te houden valt, en zij uitsterven. Van het dak van de wereld gevallen.

Doordat op bergen de temperatuurverschillen op diverse hoogten zo eenvoudig te meten zijn, zijn ook de klimaatveranderingen per hoogte een goede graadmeter voor toekomstige opwarming in lagergelegen gebieden. Om kort te gaan: een daling met zo’n 300 meter is vergelijkbaar met de opwarming over zo’n tachtig jaar. Nergens valt de toekomst beter te voorspellen dan op de top van een berg.

De eerste onderzoekers (uit Canada en Californië) die de beeldspraak van de roltrap gebruikten, publiceerden in 2018 in het wetenschappelijke tijdschrift PNAS over hun bevindingen in het Peruaanse Andesgebergte. Daar herhaalden zij een eerder onderzoek, uit 1985, door wetenschappers van het Field Museum, het natuurhistorisch museum van Chicago. Het eerste onderzoek bracht zestien vogelsoorten in kaart die boven de grens van 1.300 meter leefden op de Cerro de Pantiacolla. In de dertig jaar tussen de twee onderzoeken veranderde er niets aan het gebied zelf: er wonen nog altijd geen mensen, er groeien overwegend naaldbomen, die het hele jaar groen blijven. Wat wel veranderde: de gemiddelde temperatuur steeg er met 0,42 graden Celsius.

Een (ogenschijnlijk) minieme verandering, maar met nogal wat gevolgen voor de vogels die daar leefden. Van de zestien soorten die in 1985 werden geteld, werden er dertig jaar later maar liefst acht niet meer aangetroffen in de mistnetten waarmee de vogels werden gevangen – ook met geluidsapparatuur werden de soorten niet meer gehoord. Van die acht soorten werden er vijf in het eerste onderzoek nog zo vaak gezien of gehoord, dat de onderzoekers nu veronderstellen dat die in elk geval slachtoffer moeten zijn geworden van klimaatverandering en nu op die plek voorgoed zijn verdwenen. Voor de liefhebbers van bizarre namen: het gaat onder meer om de witoorsolitaire (Entomodestes leucotis), de bruinvoorhoofddwergtiran (Pseudotriccus simplex), de bruine breedbektiran (Rhynchocyclus fulvipectus), de geelbrauwbladspeurder (Syndactyla rufosuperciliata) en de grijskapmierklauwier (Thamnophilus caerulescens).

De laatste tussenstop

Daarmee houdt het droeve nieuws niet op: veel van de overige vogelsoorten waren in aantal afgenomen. En dat, zo stelden de onderzoekers in hun verslag, terwijl tropische vogelsoorten in de hoger gelegen gebieden toch al zo onder druk staan door nieuw ontstane ziekten en vernietiging van hun habitat. Hun onderzoek voedt naar eigen zeggen de schatting dat bij de huidige opwarming van de aarde in het jaar 2100 zo’n 10 procent van de dierenpopulaties zal zijn uitgestorven.

De onderzoekers hielden nog een kleine slag om de arm: “Meer onderzoek naar uitsterven op bergtoppen is nodig”, was ook toen weer de conclusie van hun onderzoek. Soortgelijke onderzoeken bestaan al, en ze wijzen steeds dezelfde richting op: omhoog, in de richting van de bergtop als laatste tussenstop voor species in nood, op weg naar het einde.

De zeldzame hommel Bombus gerstaeckeri staat op de gevreesde roltrap, zo lijkt het. Dat concludeerden wetenschappers van het Leidse Naturalis Biodiversity Centre op basis van eerder onderzoek in de omgeving van het bergplaatsje Gavarnie-Gèdre, in de Pyreneeën, aan de Frans-Spaanse grens. Net als bij het Peruaanse onderzoek konden de onderzoekers gebruikmaken van oude datasets – nu uit 1889, toen de bioloog Julius MacLeod onderzoek deed naar planten en hommels in de Pyreneeën. Sinds die tijd is de regio aanzienlijk opgewarmd, meer dan het wereldwijde gemiddelde. In berggebieden lijkt de klimaatverandering grotere extremen te vertonen, concludeerden ook al de Peruaanse onderzoekers. Opnieuw een uitgelezen kans om het effect van klimaatverandering op de natuur te bestuderen.

Allereerst verplaatst begroeiing zich met de opwarming: planten zoeken het hogerop, daar waar hun ideale leefomstandigheden zich bevinden. Daardoor neemt de soortenrijkdom op grotere hoogten toe.

Dat lijkt op het eerste gezicht goed nieuws, maar de keerzijde is dat in die koelere gebieden de onderlinge concurrentie van soorten ook toeneemt. In hun onderzoek stelden de wetenschappers vast dat de onderzochte planten in 115 jaar 229 meter hoger waren gaan groeien, terwijl hommels zich slechts 129 meter hogerop begaven. De bestuivers die hommels zijn, kunnen het tempo van de planten dus niet bijhouden, en dat houdt volgens de onderzoekers een gevaar in: sommige planten missen zo hun bestuivers en sommige insecten hun voedselbron.

Veel insectensoorten zijn generalisten die hun voedselpakket weten aan te passen aan de beschikbaarheid. Gespecialiseerde bestuivers lopen groter risico en daar komt de eerdergenoemde Bombus gerstaeckeri weer om de hoek kijken. Het vliesvleugelige insect staat volgens de onderzoekers weliswaar niet op uitsterven, maar krijgt het door de opwarming van de aarde wel steeds moeilijker: door de dynamiek die de klimaatverandering teweegbrengt, wordt zijn leefgebied steeds kleiner.

Eind januari vindt in Den Haag weer een klimaattop van de Verenigde Naties plaats. De nieuwste ambitie, in 2018 vastgelegd in Parijs, is de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 à 2 graden Celsius in het jaar 2100. Zelfs die halve graad maakt nogal wat verschil voor planten en dieren, zo berekenden internationale wetenschappers in 2018 in het tijdschrift Science. Zij bekeken de effecten voor meer dan 115.000 soorten. Bij een halve graad minder opwarming zal het aantal soorten insecten dat meer dan de helft van hun verspreidingsgebied verliest, dalen met zo’n 66 procent, luidde de conclusie. Voor planten en gewervelde dieren ligt dat percentage gemiddeld op 50 procent, zo schreven de wetenschappers.

Gewasbestuivers

Natuurlijk – de cijfers zijn tenslotte gemiddelden – lopen verschillende soorten verschillende risico’s. Zo hebben motten meer last van de opwarming dan vlinders en dus is een beperking van die opwarming tot 1,5 graden voor hen belangrijker.

Ook de risico’s voor belangrijke gewasbestuivers zoals bijen, zweefvliegen en aasvliegen nemen aanzienlijk af bij een halve graad minder opwarming. Die bevindingen komen overeen met een eerdere Britse studie, die stelde dat ongeveer 48 procent van de mottenpopulatie in Groot-Brittannië zal afnemen als gevolg van de klimaatverandering.

Zal het zo’n vaart niet lopen? Ook dat is precies berekend: de snelheid waarmee soorten mee verschuiven met hun ideale leefomstandigheden werd al in 2011 vastgesteld door een groep internationale wetenschappers. Gemiddeld bewegen de meeste soorten zich op het land naar de polen met 17 kilometer per decennium, voor dieren in oceanen ligt dat tempo hoger: 78 kilometer per tien jaar. Het leven trekt niet alleen noord- en zuidwaarts, de lijnen gaan ook verticaal en horizontaal. Op het land zoeken soorten het hogerop in de koelere regionen, terwijl in de oceaan sommige vissen juist dieper worden gedreven voor koeler water.

Weer andere studies laten zien dat de bedreigingen voor de biodiversiteit het grootst zijn in tropische gebieden. Niet alleen vanwege stijgende temperaturen, maar ook omdat in grote delen van die gebieden te verwachten valt dat de mens in de nabije toekomst een grotere invloed zal krijgen. Want naast temperatuurstijging is een toenemend gebruik van landbouwgrond een grote bedreiging voor de biodiversiteit, stellen onderzoekers.

Anders dan in de bekende reclamespotjes voor beleggingsbanken lijken op dit terrein in het verleden behaalde resultaten wél een garantie voor de toekomst: de grootste afnames in biodiversiteit vonden tot nu toe plaats in gebieden waar de mens is gaan domineren.