Borgloon, Haspengouw Nieuws, Kortessem

Megastallen in Borgloon en Kortessem *** Waarom?

Vlaanderen telt 42 miljoen kippen en 5,7 miljoen varkens. We hebben zowat de grootste veeconcentratie van Europa. Toch bouwen boeren steeds grotere stallen. Ook in Haspengouw neemt de druk snel toe. Landbouwbedrijven blijven keer op keer aanvragen indienen voor een megakippenindustrie. Kortessem en Borgloon staan daarbij in het oog van de storm.

Voor een reëele kijk op de zaken op plaatsen waar de megastallen al bestaan, trok onze radioredactie naar Hoogstraten. De boerderij daar lijkt nog in weinig op het traditionele erf. Wanneer de boer een van de staldeuren openduwt, slaat een loden hitte ons in het gezicht. Een zee van 84.000 kuikens dijt voor ons uit. ‘Nu zijn ze nog schattig, vind je niet?’ Even rennen ze alle kanten op, maar dan komen ze nieuwsgierig kijken. Het gelige kunstlicht weerschijnt op hun donzige pluimen. Vier keer per etmaal gaat het licht een poosje uit, zodat ze kunnen rusten. Dat ritme bevordert hun eetlust, zegt boer Aernouts. De beestjes zijn precies een week oud, maar over vijf weken zijn het slacht­rijpe kippen van 2,8 kilo.

Als de achttien vrachtwagens vol kippen en de zes camions met mest zijn weggereden, maakt Aernouts de stallen schoon en worden nieuwe kuikens opgezet. Zo gaat het zeven rondes per jaar, met telkens 175.000 kippen, verdeeld over drie stallen. Het zijn gangbare volumes geworden in de kippenkweek.

Chicken Valley

Van de Kempen tot diep in West-Vlaanderen, overal schieten megastallen als paddenstoelen uit de grond. Langs landwegels of steenwegen verschijnen hangars waar een paar duizend varkens of kalveren of tot honderdduizenden kippen worden gehouden. Zelfs in de historische landschappen van Heuvelland of Haspengouw duiken industriële veefabrieken op.

In sommige regio’s is de concentratie gigantisch. Kleine Kempische grensgemeenten als Ravels, Wuustwezel en Hoogstraten hebben elk tussen de 1,5 en 2,2 miljoen kippen en 88.000 tot 260.000 varkens. Vaak komt er ook grootschalige mestverwerking bij. Het Wuustwezelse grensgehucht Braken wordt smalend de ‘Chicken Valley’ genoemd: er staan 26 megastallen op een kluit bijeen. In Tielt of Veurne zitten tegen het miljoen kippen. De grootste kippenbedrijven van het land liggen in het Limburgse Bree: twee sites met serieel gebouwde stallen waar samen ruim 772.000 kippen worden afgemest.

Achter die golf van megastallen zit een harde economische logica, die kort samen te vatten valt als ‘groot of dood’. Grote veeboeren werken in een wereldmarkt waar flinterdunne marges gecompenseerd worden door volumes. Na aftrek van kosten houdt een boer aan een kip gemiddeld 12 cent over. Dat was voor corona. Door verstoringen in de internationale keten gingen de prijzen voor landbouwproducten de dieperik in.

In die setting heeft een landbouwer twee opties: meegaan in de schaalvergroting, of stoppen. Dat laatste gebeurt massaal wanneer boeren met pensioen gaan. Maar een actieve boer, die vastzit aan wurgende leningen, kan er alleen uit wanneer hij een stevige financiële bagage heeft. Een enkeling breekt met wat hij of zij een ‘uitzichtloze race’ noemt van massaproductie tegen bodemprijzen, en schakelt om naar kleinschaligheid of bio. Wie blijft, kiest voor de vlucht vooruit.

Familiebusiness

In de stal van Aernouts ruist het kippenvoer door de automatische voedersystemen. Twee keer per dag checkt ze of er geen storingen zijn. Ze wandelt door haar stallen om dode of kreupele dieren uit te halen. ‘Als alleenstaande moeder kan ik dit net bolwerken. Voor mij is dit een passie. Ik wil het beste uit mijn stal halen. Groter moet het niet worden. Maar dit zijn wel de volumes die je moet draaien om er nog iets aan over te houden.’

Jonge landbouwers die nog een winstmodel zien in de intensieve veeteelt, zetten in op schaalvergroting en clusters. Vaak kopen ze oude boerderijen op in de omgeving, breiden die uit en beheren zo meerdere stallen. Nogal wat bedrijven in de Kempen zijn in handen van dezelfde families, die snel groeien in omzet.

‘Dit is gezond ondernemerschap’, zegt Herman Wouters. ‘Wie wil overleven, moet een goede plaats hebben in het peloton.’ Wouters, die met zijn vrouw Ria Gilops al jaren meedraait in de kippenindustrie en nu ook zijn zonen Ruben en Brent ziet instappen, lijkt een van de koplopers in het Kempische peloton. Op drie vestigingen, in Hoogstraten, Brecht en Rijkevorsel, heeft het gezin 759.820 slachtkippen zitten, die ze afmesten met de hulp van enkele Oost-Europese loonwerkers. De stallen zijn nieuw of werden recentelijk uitgebreid. Het zijn keurige hangars waar niemand bij woont en waar alleen de geur verraadt dat ze vol zitten met kippen.

Soms houden kippenboeren er nog een andere job op na. Zoals Patrick Aernouts in Wuustwezel, die 1.500 varkens en net geen 170.000 kippen combineert met een voltijdse baan in de Antwerpse haven. Zijn vrouw doet de kippen, zegt hij, met de hulp van personeel. Maar hij is wel de meerderheidsaandeelhouder van het bedrijf. Buurman Guy Van de Locht heeft een aannemersbedrijf én houdt 253.000 kippen. Op het erf staat een wagen met een Poolse nummerplaat. Aan de andere kant van Vlaanderen, in Lo-Reninge, runt Koen Declerck een interieurbedrijf en een stal met 81.000 kippen. Allen hebben ze stevige uitbreidingsplannen, of hebben de voorbije jaren al uitgebreid.

Boer Johnny wordt megakippenboer

De vele kippen-, varkens- of kalverenhouders die we de voorbije maanden spraken, geven aan dat ze zonder die volumes niet rendabel zijn. Maar er zit nogal wat speling op de cijfers. Sommigen zeggen dat 80.000 kippen volstaan, anderen houden vol dat ze er niet komen met 250.000. Schaalvergroting is nodig om nieuwe investeringen te dragen en de kinderen te laten instappen. Voor het woord megastal huiveren ze. ‘Daarvoor moet je naar Polen of Roemenië,’ zegt Herman Wouters, ‘waar de veeteelt in handen is van enkele mastodont­bedrijven die overspoeld worden met Europese subsidies en uitgebaat worden door loonarbeiders.’

Toch lijkt het erop dat dit het pad is dat we ook in Vlaanderen bewandelen. Ook de bedrijven die door families gerund geworden, zijn fabrieken geworden. Boeren worden managers, landbouw wordt industrie.

Moeten het er zoveel zijn dan?

” ’t Ja. Je moet wel groeien. Alleen de grote spelers kunnen investeren in de duurzame systemen die de overheid oplegt. Alleen wie intensiveert, houdt de concurrentie met Oost-Europa vol. Je mag heimwee hebben naar de kleine boerderijen van 20 jaar geleden, maar dit is nu eenmaal de realiteit.’

Niet alle landbouwers kunnen zelfstandig voor die vlucht vooruit kiezen. En kippenstal kost snel een miljoen euro, grote projecten lopen op tot drie of vier miljoen. Dat lukt alleen met een stevige financiële armslag, waarover weinigen beschikken.

Niemand weet hoeveel boeren zich laten inlijven als loonwerkers van de agro-industrie. Het taboe daarop is immens. Maar ook zonder dat ze hun stal overlaten, zitten veel landbouwers vast in de integratie­keten. Tientallen veehouders vertellen hetzelfde verhaal: het is het netwerk van broeierijen, voederfabrieken, slachterijen, vleesverwerkers en supermarkten dat het ritme bepaalt. De aandrijvers daarvan zijn de voederbedrijven, die vaak de hele keten beheersen of nauwe contacten hebben met de andere spelers. Alles schuift feilloos in elkaar: zij spreken af met de broeierijen en zeugenbedrijven wanneer de kuikens of biggen bij hun klanten in de stal worden gezet. Ze leveren het voer en nemen vaak ook de kippen of varkens weer af, die ze verkopen aan de slachterij tegen een prijs die samen met de landbouwer werd vooropgesteld.

Als gewone landbouwer moet je hier wel in meedraaien, vertelt kippenhoudster ­Veronique Buntinx uit Linter, die onder contract zit bij De Heus. ‘Je krijgt anders je voet niet tussen de deur bij de slachterijen.’ Die keten zorgt ervoor dat de uitbaters van megastallen niet zo vrij zijn als ze soms lijken. Een kippenkweker die bijvoorbeeld in een kwaliteitslabel van Plukon wil stappen, wordt verplicht zijn voeder af te nemen bij De Heus, zegt de Diestse kippenhoudster Myriam Beyens. ‘Hoe dan ook zijn wij de zwakste schakel in de keten. De kosten, de lage prijzen: het wordt allemaal op ons afgewenteld.’

Niet bij de boer, maar bij de supermarkten en de agro-industrie van voederbedrijven, broeierijen, mestverwerkers en vleesverwerkers zit de echte winst. De boer is slechts een tussenschakel die het systeem draaiende moet houden. Hoe groter de stallen, hoe meer voeder ze kunnen afzetten en hoe meer vlees er kan worden verwerkt voor de exportmarkt. De Belgische voederfabrikanten waren in 2016 goed voor een omzet van 4,9 miljard euro. Vaak zijn ze nog in handen van families, die nagenoeg allen tot de meest vermogende van ons land behoren.

Thomas Vanden Avenne, afgevaardigd bestuurder bij Vanden Avenne, nuanceert. ‘Wij willen vooral gezonde groei. Als er te veel dieren op de markt komen, raakt die ontwricht en verliest iedereen. We kunnen niet eindeloos kippen uitvoeren. In vergelijking met de spotgoedkope Braziliaanse kippen zijn de Europese luxeproducten. Wij willen dat onze klanten betere resultaten halen. Daarin steunen we hen.’

Ook Patrick van den Hurk, commercieel manager bij het Nederlandse Coppens Diervoeding, houdt vol dat zijn bedrijf geen belang heeft bij megastallen. ‘Die wedstrijd naar steeds groter wordt vooral aangedreven door de supermarkten, die de druk op de prijzen opvoeren. Ik heb liever meer boeren met kleinere stallen. Dat spreidt het risico.’

De rol van de voederfabrikanten

En toch. Uit de vele gesprekken met veehouders blijkt dat de industrie op subtiele wijze pusht richting groter. ‘Voederfabrikanten willen graag ineens een volle vrachtwagen leveren, om de transportkosten te drukken’, zegt de Halense kippenkweker Daniël Saels. ‘Als je verdubbelt in omvang, krijg je een scherpere prijs. En die scherpe prijzen hebben we nodig, omdat onze marges zo laag zijn.’

Naarmate de golf van veefabrieken verder over Vlaanderen rolt en hun druk op kleine landbouwgemeentes toeneemt, wordt de vraag pertinent: voor wie zijn de lusten, voor wie de lasten? Voor de Diksmuidse politicus Kurt Vanlerberghe is het klaar: ‘We maken onszelf wijs dat we de familiale landbouw een duw geven. Maar dit is geen familiale landbouw meer. Door dit op grote schaal te vergunnen, bewijzen we vooral de agro-industrie een dienst.’

Grote spelers uit Nederland

Niet noodzakelijk de Belgische, overigens. Ook de Nederlandse grote spelers krijgen hier voet aan de grond. In de Kempen bots je om de haverklap op vrachtwagens van Nederlandse voederfirma’s, broeierijen en veetransporteurs die zich door de kleine dorpskernen slingeren. Ze kopen Belgische voederfabrikanten op, samen met hun klantenportefeuilles. Ze binden Vlaamse landbouwers aan zich in de integratieketen. Kuikens, biggen of kalveren worden aangevoerd uit Nederland, de vetgemeste dieren gaan weer de grens over. Of ze worden, zoals in het geval van voederfabrikant De Heus, verwerkt in slachterijen waarvan de winsten naar Nederland en Duitsland vloeien. ‘Vlaanderen lijkt een wingewest te worden van de Nederlandse agro-industrie,’ zegt Bart Vanwildemeersch van de West-Vlaamse Milieufederatie. ‘Dat is de vrije marktwerking, op zich is daar niets mis mee. Maar megastallen zijn geen supermarkten of webshops. Ze veroorzaken stikstof, geurhinder, mobiliteits- en gezondheidsproblemen. Als we niet opletten, gaan Nederlandse multinationals met de winsten lopen, en blijven wij achter met de mest en de overlast.’

Hoe dan ook is die race naar steeds grotere stallen, waar vlees voor de wereldmarkt geproduceerd wordt tegen bodemprijzen, er een die we niet kunnen winnen, zegt Hendrik Vandamme, voorzitter van het Algemeen Boerensyndicaat ABS. ‘Wij hebben mooie bedrijven waar de beste en meest duurzame technologie wordt toegepast. Maar in Polen, Oekraïne of China zullen ze het altijd goedkoper doen. Landbouwers die alles inzetten op de massaproductie van kippen of varkens, zijn in zo’n internationale markt erg kwetsbaar. Dat zien we nu ook weer met de coronacrisis. Bovendien is er in de samenleving steeds minder draagvlak. We moeten ons afvragen of we niet stilaan de limieten hebben bereikt.’