Borgloon, Limburg

Ter Heide 50 jaar – Een terugblik door oud-directeur Rik Geerts

Oud-directeur zorg Rik Geerts blikt terug op de start en de groei van Ter Heide.

De eerste leefgroep

“Typerend aan de beginjaren van Ter Heide was dat alles uitgevonden moest worden. Oorspronkelijk zou Ter Heide op 1 februari 1971 openen, maar uiteindelijk bleek de bouw toen nog niet klaar. In die voorbereidende maanden had ik gelukkig werk genoeg: zorgen dat de eerste opvoedsters op opleiding gingen, materiaal zoals naaimachines en wasmachines aankopen, leren hoe de verwarming werkte … Ik was sociaal verpleger, maar ook een beetje manusje-van-alles tijdens die eerste maanden.

Na een paar keer uitstel hebben we besloten om op 8 maart te springen en er officieel aan te beginnen. Toen startten we in de eerste leefgroep met 5 jongens: Luc, Marc, Johan, Jan en Eric. Maar ook dit begin verliep niet zoals verwacht. In Limburg werd vaak gesproken van een grote behoefte van ouders om de juiste zorg en ondersteuning te krijgen voor hun kinderen met een beperking. Toch stond er niemand op de wachtlijst. Niemand zat te wachten op een nieuwe organisatie waar een 25-jarige verpleger de baas was over een ploeg van 7 18-jarige meisjes die net van school kwamen. Ik heb heel wat gesprekken gehad met ouders, vertegenwoordigers en zelfs nonnen voor de eerste groep van 5 tot stand kwam.”

In het begin moest alles nog uitgevonden worden

Veel doen met weinig middelen

“In het begin hadden we weinig en de doelgroep was zwaar. Er waren geen handboeken of experts die je kon raadplegen. Maar na bezoeken aan verschillende instellingen in Vlaanderen en Nederland en door ons gezond boerenverstand te gebruiken, losten we alles creatief op. Ook de eerste opvoedsters waren echt gemotiveerd. Dat was onze basis: mensen vinden die in het werk en in de kinderen geloofden.

Ook wel bewonderenswaardig was dat we heel veel konden met weinig middelen. Zand, water en papier waren onze belangrijkste materialen. Een zandbak en water hadden we, papier kregen we van mensen die oude tijdschriften konden missen. Op zondag maakte ik thuis met de jongere zusjes van mijn vrouw eenvoudige speelgoedjes uit Libelleboekjes. Zo hadden we ook wat basisspeeltuigen waarmee we de kinderen konden leren over vormen en kleuren. Echt speelgoed was er in het begin niet, dus alle opvoedsters namen dan maar 1 stuk mee van thuis. Zo moest alles zelf uitgevonden worden.

Wat voor mij ook zeer belangrijk was in het begin, was dat de kinderen veel naar buiten konden. Ze moesten veel gaan wandelen en contact hebben met de buitenwereld. Dat lijkt misschien simpel, maar dat gebeurde in die tijd maar heel weinig in andere voorzieningen.”

Als echte huismoeders

“Niet enkel de dagindeling van de kinderen was zoeken en uitproberen, maar ook de inrichting van de leefgroepen, evaluatiemethodes bepalen en de manier van omgaan met kinderen die een beperking hadden, moest nog uitgevonden worden. Hierbij is mijn gezond verstand altijd de beste basis gebleken.

Vooral dingen die wij vanzelfsprekend vonden bij onze eigen kinderen waren belangrijk om toe te passen in de leefgroepen. Veel met hen praten was daar een groot onderdeel van. Opvoedsters moesten er steeds voor zorgen dat ze altijd met de bewoners praatten terwijl ze handelingen deden en hen vertellen wat er gebeurde. Dat ging van “Nu gaan we de jas aandoen” tot “Kom eens even mee om je handjes te wassen”. Als je dat voortdurend doet, ontstaat er herkenning. Na een tijdje wordt zo passief taal ontwikkeld en snapt Jantje dat een hand een hand is en een tafel een tafel. Voor iemand met een verstandelijke beperking is dat heel belangrijk. Later konden we dan nog inzetten op actief taalgebruik waar mogelijk.

Op die manier werden die jonge opvoedsters echte huismoeders voor de kinderen van hun leefgroep. Samen bouwden we zo alles van 0 op, van zindelijkheid tot ontwikkeling van de motoriek door spelenderwijs dingen te doen. Hoe je een bed moest opmaken, hoestsiroop moest toedienen, koorts meten … heb ik mijn beginploeg allemaal moeten leren. Maar samen zijn we er geraakt.”

De opening van campus Zonhoven was een van de gelukkigste dagen van mijn leven

Van kind tot tiener en volwassene

“Na de kinderafdelingen kwamen de tienerafdelingen. Dat was even zoeken, maar uiteindelijk is ook die overgang gelukt. Daarna was het bijna afwachten wanneer de kinderen zouden sterven, want veel ouder dan 21 jaar zouden ze niet worden. Dat werd zelfs luidop gezegd. Gelukkig bewezen onze bewoners het tegendeel en ik ging op zoek naar een nieuwe locatie om ook volwassenen een plekje te kunnen geven. Liefst gescheiden van de minderjarigen.

Die plek vonden we dankzij Godfried Vaes, toenmalig gemeentesecretaris van Zonhoven, in de gemeente Zonhoven. Waar momenteel de grootste campus van Ter Heide ligt, was toen enkel een groot braakliggend terrein te zien met 9 aaneensluitende hectaren dat op vogelvlucht lag van Genk. Ik was meteen verkocht. Het was niet gemakkelijk om het bestuur hiervan te overtuigen, want financieel betekende de aankoop hiervan toch ook wel wat. Maar uiteindelijk realiseerden ze zich dat we het niet konden maken om kinderen en ouders de deur te wijzen na al het harde werk van de afgelopen jaren.

De dag dat de beslissing viel om campus Zonhoven te openen, was een van de gelukkigste van mijn leven. Tienerafdelingen hadden we en er was perspectief voor volwassenen. Mijn droom was levenslang voor de bewoners zorgen. Ik ben er altijd heel trots op geweest dat we dit ook hebben kunnen verwezenlijken. Enkele jaren later konden we zelfs uitbreiden naar Borgloon en Tongeren.”

Berekend risico

“Doorheen de jaren zijn we steeds met de bewoners overal naartoe geweest om hen de kans te geven open te bloeien en hen het leven te geven waar ze recht op hadden. Daar nam ik steeds een berekend risico, want sommige ouders schrok het soms af dat we bv. samen met Jan van de grote glijbaan in Bokrijk durfden zoeven. Zo streefden we stap voor stap naar een normalisatie van onderuit. Elk mens heeft recht op een goed leven; daarvan ben ik heilig overtuigd. Fundamenteel vind ik dat een vorm van respect voor mensen. Iemand met een beperking is al benadeeld en kan nooit hetzelfde leven hebben als jij en ik. Net daarom moeten wij er voor hen zijn.”

Mijn familie in Ter Heide

“In de beginjaren woonde ik samen met mijn vrouw in een huisje in campus Genk. Ik was 7 dagen op 7 en 24 uur per dag beschikbaar voor wie mij nodig had. Medische handelingen, zoals bv. een kind met epilepsie helpen of een verwonding behandelen, voerde ik uit. Moest er iemand dringend naar het ziekenhuis gebracht worden? Dan sprong ik uit mijn bed.

Ook mijn vrouw heeft een tijdje als verpleegkundige in Ter Heide gewerkt. Toen in juni 1971 mijn eerste kind geboren werd, probeerden we er het beste van te maken. Baby Martine lag in haar koets te slapen in een aparte ruimte wanneer mijn vrouw aan het werk was. Maar als de opvoedsters van de leefgroepen de baby hoorden huilen, waren ze er meteen om de koets mee te nemen naar de leefgroep. Natuurlijk was dat niet de bedoeling, maar ze vonden het geweldig om zo’n klein baby’tje tussen de bewoners te hebben. De toenmalige dokter vond dit compleet onverantwoord: een gezond kind tussen kinderen met een beperking plaatsen! Wij vonden dat dit geen kwaad kon. Zo is Martine een tijdje samen opgegroeid met de bewoners. Na de geboorte van mijn tweede kind hebben we toch besloten dat mijn vrouw voor de kinderen zou zorgen en is ze gestopt in Ter Heide.

Ik was ervan overtuigd dat ik altijd in Ter Heide zou blijven wonen, maar na enkele jaren was dat niet meer nodig. De organisatie groeide steeds verder uit en er kwamen meer deskundige medewerkers in dienst. Ik verhuisde uiteindelijk met mijn gezin naar Boxberg, waar ik me ook verder bleef inzetten voor Ter Heide. Voor sommigen was ik daar nog bereikbaarder dan toen ik in Ter Heide woonde.”

Professionalisering

Huidig directeur Geypen vult aan: “Zo is alles mondjesmaat gegroeid en geprofessionaliseerd. De organisatie begon elk jaar groter en groter te worden. Er kwamen meer bewoners, een groter netwerk rond de bewoners, meer personeel (ook in ondersteunende diensten), meer specialistische functies en heel wat andere partners die er samen met Ter Heide voor wilden gaan. Ik stond aan het begin van mijn carrière in Ter Heide mee aan de wieg van de overgang naar meer structuur op organisatieniveau. Ook cultuur is voor mij steeds belangrijk geweest, net zoals levensgeluk creëren voor onze bewoners. Hier hebben we mooie stappen in gezet. Waar in het begin creativiteit en de wil om de bewoners het beste te bieden het belangrijkste was, had de groter wordende organisatie een duidelijke lijn nodig.

Zo kwam ook een grote aanpassing in de leefgroepensamenstelling tot stand. Vroeger leefden bewoners met verschillende behoeften samen in dezelfde leefgroep. We spraken toen van ‘heterogene groepen’. Na een tijdje realiseerden we ons dat het voor zowel de bewoners als het personeel een groot voordeel zou zijn als bewoners met vergelijkbare behoeften in dezelfde leefgroepen samenleefden. Zo ontstonden meer homogene groepen.

Wat was hier het grote voordeel van? Het personeel kon zich meer specialiseren in de specifieke problematieken en behoeften van de bewoners in hun huisje (bv. meer medische expertise ontwikkelen of zich specialiseren in gedragsproblematiek). De bewoners kregen meer gerichte en gespecialiseerde zorg en ondersteuning. Een win-win dus! Bewoners met dezelfde behoeften en noden verblijven sindsdien in dezelfde leefgroep met hierrond gespecialiseerde medewerkers. Zo ontstonden in de jaren 90 3 woonomgevingen: een orthopedagogische woonomgeving, een woonomgeving in het teken van medische en paramedische problematieken en een gedragstherapeutische woonomgeving.”

Onze droom was en blijft alle personen met een meervoudige beperking een plekje te kunnen bieden in Ter Heide

Verschuivingen binnen de doelgroep

“De volgende jaren veranderde er heel wat. We specialiseerden ons steeds meer en we verwelkomden nieuwe doelgroepen in Ter Heide. Wat voor mij altijd heel belangrijk was, net zoals dat voor Rik altijd is geweest, was dat niemand werd achtergelaten. Mijn droom was om iedere persoon met een meervoudige beperking een plekje te geven in Ter Heide.

Zo zie je maar dat alles terugkomt, want vanuit diezelfde insteek werd Ter Heide in 1971 opgestart: om mensen een plekje te kunnen bieden. Daar zijn we vandaag nog altijd mee bezig. We bieden sinds enkele jaren een plek aan kinderen met autisme en breidden onze gedragstherapeutische werking uit met een GES+-werking. Het is belangrijk om voortdurend af te stemmen op de behoeften van onze bewoners en van de samenleving.

Maquette van de nieuwbouw GES-woningen

Foto: DBA

Ook infrastructureel betekent dat heel wat. Kijk bijvoorbeeld naar hoe we met ons masterplan nieuwbouwen realiseren die volledig zijn aangepast aan de behoeften van specifieke doelgroepen. Dat is ook een enorme (r)evolutie. Voor onze bewoners in de GES-groepen worden er zelfs studio’s gebouwd. Zo blijven we op alle vlakken streven naar een fijne, warme thuis voor onze bewoners, aangepast aan hun noden en behoeften.

In deze periode kwamen ook veel mensen uit het zorglandschap kijken hoe de dingen in Ter Heide gebeurden. Het idee van een co-sturing die aan het hoofd staat van een woonbuurt was bijvoorbeeld een vernieuwend idee in de gehandicaptensector. Heel wat mensen kwamen daarom in Ter Heide inspiratie opdoen. Nadien is dit concept ook geïnstalleerd in heel wat andere voorzieningen. Ter Heide was en is nog steeds een organisatie die voortdurend bezig is met verbeteringen aanbrengen en met vernieuwen. Dit zowel inhoudelijk als op vlak van cultuur, structuur en leiderschap. We werden dus zeker ook buiten de muren van de organisatie erkend en gerespecteerd voor onze manier van werken en onze deskundigheid.”

Dankzij onze ouders en Gezellen staan we er vandaag als organisatie sterker voor

Relaties opbouwen

“Wat ook altijd zeer belangrijk is geweest, is het opbouwen van relaties. Daar was Rik echt wel de grondlegger van. Ik probeer nu ook nog steeds zo veel mogelijk mensen bij Ter Heide te betrekken. We hebben hiervoor ook veel te danken aan de ouders en familieleden van onze bewoners. In de beginjaren zorgden zij er via ‘vzw Oudercomité’ voor dat de nodige centen binnenkwamen via allerhande activiteiten en acties. Nadien kreeg stilletjes aan ook de Gezellenwerking meer vorm en konden we rekenen op de hulp van heel wat betrokken partners die zich met een groot hart inzetten voor onze bewoners.

Zonder deze hulp stonden we nu nooit zo ver als we gekomen zijn. Ik ben dan ook echt heel dankbaar voor de steun die we vanuit deze hoeken nog altijd krijgen.

Ook op heel wat andere manieren zijn ouders en familieleden van bewoners altijd een belangrijke partner geweest in de zorg voor de bewoners. In de beginjaren vertrokken we vooral vanuit het idee dat de experts in Ter Heide wisten wat het beste was voor de bewoners. Intussen spelen ouders een veel actievere rol in de zorg voor hun kinderen. Zij weten als geen ander wat voor hun kind belangrijk is. Eigenlijk willen we allemaal hetzelfde: ervoor zorgen dat de bewoners een goed en vooral een gelukkig leven hebben.